Is Het Nieuwe Werken Duurzaam?

Draagt het Nieuwe Werken bij aan duurzaamheid? Ja, zeggen voorstanders, want organisaties hebben minder vierkante meters vloeroppervlak nodig. Nee, zeggen tegenstanders. Volgens hen leidt het Nieuwe Werken tot meer auto- en vliegverkeer en tot meer elektriciteitsverbruik door computercentra en dus tot meer CO2-uitstoot. Een beschouwing over Het Nieuwe Werken in relatie tot duurzaamheid.

Gebouwen zijn in hun huidige vorm verantwoordelijk voor ruim 35 procent van de uitstoot van CO2 en zijn de grootste bron van afval. Maar gebouwen doen dit niet zelf. Het zijn mensen die hier voor verantwoordelijk zijn. Door welke gedachten en concepten laat de mens zich leiden bij het bouwen en het gebruik van gebouwen?
Duurzame werkpatronen spelen daarbij een rol. Patronen die het resultaat zijn van drie activiteiten:

  1. groen denken
  2. groen bouwen
  3. groen gebruiken.

Ad 1. Groen denken gaat over het besef van de noodzaak om duurzame oplossingen te ontwikkelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en de uitputting van grondstoffen.
Ad 2. Groen bouwen gaat over het ontwikkelen van duurzame oplossingen voor gebouwen en installaties in relatie tot hun omgeving.
Ad 3. Groen gebruiken gaat over de juiste manier van gebruiken, zodat de groene ideeën en gebouwen ook werkelijk duurzaam functioneren. Het groene gebruik vormt dan de sluitsteen van het geheel, maar het kan ook het begin zijn om het huidige gebouw op een meer duurzame wijze te gaan gebruiken.

Groen gebruiken gaat over alles waarvan je niet het gebouw de schuld kunt geven. Bijvoorbeeld de hoeveelheid kilometers die de medewerkers van een organisatie jaarlijks per vliegtuig afleggen. Of de hoeveelheid papier die wordt gebruikt om het administratieve proces te laten functioneren. Maar denk ook aan de hoeveelheid woon-werkverkeer die in stand wordt gehouden doordat tele- en thuiswerken niet wordt toegestaan.
De Grieks-Amerikaanse architect en computerdeskundige Nicholas Negroponte schreef in 1995 in zijn boek ‘Being Digital’ dat de voorkeur gegeven moet worden aan het ‘verplaatsen van bits’ boven het ‘verplaatsen van atomen’. De voordelen zijn duidelijk: het bespaart energie en geld. Deze gedachte vormt een van de grondslagen van Het Nieuwe Werken.

Het Nieuwe Werken
Eerst een stukje geschiedenis. In de tijd dat werkplekken in kantoren steeds vaker onbezet bleven als gevolg van de opkomst van het deeltijdwerken en het werken in projecten, ontstond kantoorinnovatie, de voorloper van het Nieuwe Werken. Het delen van werkplekken werd in eerste instantie gezien als middel om ruimte en kosten te besparen.
Later kwamen vooral kwalitatieve aspecten in beeld, zoals flexibiliteit, het delen van kennis en het bevorderen van samenwerking tussen personen en afdelingen.
Dankzij de technologische vooruitgang werd het mogelijk om op elk tijdstip en op elke plaats te kunnen (samen)werken. Overal online kunnen zijn is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering. Deze nieuwe realiteit waarin het gebruik van sociale software een steeds grotere rol begint te spelen, bepaalt hoe wij omgaan met de fysieke omgeving. Bijvoorbeeld in de keuze van de plek waar je op een bepaald moment wilt gaan werken. Of bij de afweging hoe je met iemand in contact wilt treden: per telefoon, per mail of persoonlijk door naar hem toe te lopen of door naar hem toe te reizen (per auto of trein). Wanneer verplaats je bits en wanneer atomen?

Long life – loose fit
In de meeste organisaties is het nog steeds de gewoonte dat medewerkers worden gehuisvest. Dat doen ze niet zelf, het is de facility manager die dat verzorgt. Hij doet dat door de huidige manier van werken te analyseren en vervolgens een ‘afbeelding’ van de werkpatronen als blauwdruk voor het kantoor vast te leggen. Zie figuur 1.

Functionele benadering van huisvesting
Figuur 1. Functioneel huisvesten onder het motto: ‘Form Follows Function’

Maar vormen de werkprocessen nog wel een goede basis voor het ontwerpen van een duurzame werkomgeving? De meeste werkprocessen zijn (of worden) inmiddels gedigitaliseerd en zijn daarmee steeds minder afhankelijk van de plaats en tijd. Voor een kenniswerker die via het netwerk overal en altijd bij zijn gegevens kan komen, is de plaats waar hij werkt niet belangrijk meer. Ook de collega’s waarmee hij moet samenwerken kan hij via datzelfde netwerk bereiken, samenwerken is tegenwoordig ook virtueel mogelijk.

Bij het nieuwe werken wordt de dynamiek van de activiteiten opgevangen in het gedrag van de werkers zelf. De medewerker zoekt op elk moment een plek die het beste past bij de werkzaamheden die hij wil uitvoeren en de behoefte aan contact met collega’s en anderen. Zie figuur 2.

Duurzame benadering van huisvesting
Figuur 2. Duurzaam huisvesten volgens het motto: ‘Long Life – Loose Fit’

Voor de huisvesting betekent dit, dat niet de functie van het te realiseren object (gebouw of product) bepalend is voor het ontwerp, maar het functioneren als deel van het grotere geheel (long life). De inrichting van een kantoorgebouw wordt gebaseerd op de mogelijkheden die het gebouw en de directe omgeving bieden. Het interieur zorgt ervoor dat de potentiële (gebruiks)kwaliteit van het gebouw maximaal tot zijn recht komt. Aan de stille kant van het gebouw worden rustige werkplekken gecreëerd, direct bij de toegangen tot de verdiepingen worden ontmoetingsplekken gesitueerd en aan de zonzijde worden plekken gemaakt die het licht maximaal benutten. Zo worden de ‘natuurlijke’ kwaliteiten gemaximaliseerd.
De dynamiek wordt verlegd van het aanpassen van gebouw en inrichting naar het aanpassen van het gedrag van mens en organisatie (loose fit). Op deze manier wordt het meest effectief gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte, materialen en energie.

Gebruik ‘maken’
Waar het functionalisme ervan uitgaat dat de omgeving gemaakt kan/moet worden op basis van onderzoek naar de te vervullen functie, gaat ‘long life – loose fit’ ervan uit, dat werkpatronen het gevolg zijn van de confrontatie van de menselijke creativiteit met een gegeven omgeving. De mens ziet mogelijkheden in zijn omgeving en maakt er gebruik van. Door uit te gaan van de mogelijkheden van de omgeving ligt het voor de hand, dat er ook respectvoller met de omgeving wordt omgegaan.

Mobiliteit
Het Nieuwe Werken heeft ook alles te maken met mobiliteit. Zo’n 22 procent van CO2-uitstoot per kantoorwerkplek wordt hierdoor veroorzaakt. Een goede reden dus om heel bewust om te gaan met keuze van plaats en verplaatsing. Mensen verplaatsen zich om verschillende redenen: om dagelijks op hun werk te komen, om met elkaar te communiceren, om contact te leggen, om te overleggen of om kennis te delen.

Afhankelijk van de reden en de afstand wordt het meest passende vervoersmiddel gekozen. De CO2-uitstoot kan hierbij sterk verschillen. Lopend of met de fiets wordt er nauwelijks CO2-uitgestoten. De auto brengt gemiddeld een uitstoot van 0,2 kg CO2 per (voertuig)kilometer met zich mee. Het openbaar vervoer (bus, trein, TGV) heeft een uitstoot van 0,04 tot 0,06 kg CO2per (reiziger)kilometer. De grootste boosdoener is het vliegverkeer: vliegen veroorzaakt ruwweg een uitstoot van 0,22 – 0,35 kg CO2 per (reiziger)kilometer.

Maar de keuze van het vervoermiddel wordt niet alleen gebaseerd op CO2-uitstoot. Reistijd is ook een belangrijke factor. Achter het stuur is de reistijd verloren tijd, maar in een rustige treincoupé, of achterin de auto met chauffeur, is de reistijd te gebruiken als werktijd. Niet-reizen is in sommige situaties ook een keuze. In het woon-werkverkeer, kan bijvoorbeeld een thuiswerkdag per week de CO2-uitstoot en de verloren reistijd met 20 procent doen afnemen.

Bij het reizen om te communiceren is het nuttig de vraag te stellen of een fysieke ontmoeting wel echt noodzakelijk is. Kan de noodzakelijke communicatie ook op andere wijze plaatsvinden, bijvoorbeeld door een telefoongesprek of door videoconferencing. Een telefoongesprek kan een goed alternatief zijn, zeker als in de agenda tijd wordt gereserveerd (belafspraak), zodat er voldoende ruimte is voor een ongestoord gesprek.

Er zijn verschillende niveaus van mobiliteit waarvoor de afwegingen verschillend zullen zijn. Zo is de mobiliteit binnen een gebouw of campus, die lopend en met de fiets wordt gerealiseerd, gunstig voor het flexibel houden van de fit tussen de organisatie en zijn huisvesting. In veel gevallen is het goed om de mobiliteit op dit niveau te stimuleren. Het verhoogt de kans op ontmoetingen tussen mensen waarmee dwarsverbanden in een organisatie worden gelegd. Bovendien is het gezond om regelmatig te bewegen, het stimuleert afwisseling van houding.
Verplaatsingen tussen locaties, binnen een stad, kunnen ook een welkome afwisseling vormen in de dagelijkse werkomgeving, maar worden al vaker gezien als tijdverlies. Deze mobiliteit moet kritische bekeken worden en soms bewust worden beperkt. Reizen over grotere afstand moet in principe worden beperkt, tenzij het om communicatieve of relationele redenen toch gewenst is.

Conclusie

De verkregen vrijheid van Het Nieuwe Werken, om zelf te bepalen welke plekken we willen gebruiken en de noodzaak om de gebruiksmogelijkheden van de omgeving te leren zien moeten met elkaar worden verbonden.
Als de toegenomen vrijheid betekent, dat we ons zonder respect voor de omgeving overal gaan nestelen, of ons voortdurend en ongelimiteerd gaan verplaatsen, dan past Het Nieuwe Werken niet in een duurzame toekomst.
Wanneer de verworven bewegingsvrijheid echter wordt gebruikt om duurzame werkpatronen te ontwikkelen, kunnen organisaties tegelijkertijd hun effectiviteit en flexibiliteit vergroten én hun ecologische footprint verkleinen, zonder dat dit leidt tot verhoging van de kosten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s