Groene Werkpatronen

Welke gebouwen zullen demonstraties tegen hun sloop oproepen? Welke gebouwen bezitten die intrinsieke kwaliteit die mensen vergevingsgezind maken ten aanzien van verouderde functionaliteit? Welke gebouwen en locaties hebben de “X-factor”, die ze ook zonder functionaliteit aantrekkelijk maken? Wat maakt gebouwen vandaag de dag verouderd? Specifieke functionaliteit voor een niet meer bestaande vorm van gebruik. Een  economisch achterhaalde verhouding tussen bouwvolume en grondwaarde? In het jaarboek 2010 van Facility Management Magazine verscheen een artikel over een nieuwe manier om gebouwen en het gebruik aan elkaar te koppelen.

gebouwmanagement maatregelen

Groen Denken,

Groen Bouwen en

Groen Gebruiken

Voorstanders van “Het Nieuwe Werken” beweren, dat dit  automatisch een duurzame manier van werken is. Tegenstanders geven aan, dat het leidt tot meer autoverkeer, meer vliegverkeer en dat het elektriciteitsverbruik van alle computercentra van het internet verantwoordelijk is voor een fors aandeel in de CO2 uitstoot. Hoe kunnen organisaties groene werkpatronen ontwikkelen in een wereld waarin iedereen met iedereen verbonden is? Hoe doe je het goed? Om meer inzicht te krijgen in de samenhang van alle afzonderlijke groene initiatieven rondom het werken wordt een nieuw denk- en werkkader geschetst.

M. Mooij M.Arch.

Als het verbinden van mensen leidt tot contact, dan leidt verbinden uiteindelijk dus ook naar elkaar ontmoeten. Global connectivity schept aanleidingen om elkaar te willen ontmoeten. Een deel van die ontmoetingen kan virtueel plaatsvinden, via telepresense, maar een deel zal ook leiden tot reële ontmoetingen waarvoor gereisd moet worden. Enerzijds neemt de noodzaak om elkaar vaak reëel te ontmoeten af, anderzijds wordt het leggen van wereldwijde contacten gestimuleerd hetgeen weer leidt tot nieuwe behoefte aan reële ontmoetingen.

Is het gebruiken van veel ruimte goed of slecht? Hoe minder m2 in gebruik hoe minder CO2-uitstoot als gevolg van verwarming en hoe minder afval aan het einde van de levenscyclus, zou je zeggen. Maar geldt dat ook als een hoogwaardig groen gebouw hebt, wat bijvoorbeeld CO2 opneemt en volledig in haar eigen energie voorziet door middel van zonne- en windenergie?  Of maakt een groter gebouwvolume het binnenklimaat wellicht stabieler en gezonder?

Groen denken, groen bouwen en groen gebruiken

Gebouwen zijn in hun huidige vorm verantwoordelijk voor ruim 35% van de uitstoot van CO2 en zijn de grootste bron van afval. Maar gebouwen doen dit niet zelf . De bijdrage aan de opwarming van de aarde is het gevolg van het gebruik van gebouwen. Hoe gebruiken wij de gebouwen? Door welke gedachten en concepten laten wij ons leiden bij het gebruik? In dit artikel wordt ingegaan op de bijdrage die de manier van werken kan leveren aan duurzaamheid. Hierbij maken wij onderscheid tussen :

Conceptcyclus

Figuur 1 Drie levenscycli van groen denken, groen bouwen en groen gebruiken

Het bedenken gaat over concepten en inzichten. Waarvan zijn mensen zich bewust? Wat kunnen zij zich voorstellen? Zijn mensen in staat om de wereld anders te gaan zien dan zij gewend zijn? En wanneer vinden nieuwe ideeën voldoende aansluiting, om via de beslissers ook te worden omgezet in realiteit? Het maken gaat over de vertaling van ideeën naar de realiteit. Soms leidt het maken tot bijstelling van de ideeën. Het maken kost geld, materiaal en heeft “harde” consequenties. Het denken nog niet. “Papier is geduldig” is hiervoor de uitdrukking. Maken wordt niet alleen aangestuurd door het bedenken, maar ook door het gebruiken. Vanuit het gebruik komen concrete eisen voor aanpassing van het gebouw  en zijn inrichting. Het maken omvat het ontwerpen en het realiseren ter voorbereiding op het gebruik. Het gebruik gaat over het functioneren van het gerealiseerde. Het gebruik is waar het maken uiteindelijk voor bedoeld is. Hierdoor worden de eisen vanuit het gebruik vaak rechtstreeks gekoppeld aan het maken. Toch is het vaak beter om de tijdens het gebruik opgedane ervaring eerst om te zetten in nieuwe concepten. Op grond van nieuwe  concepten kunnen dan weer andere gebouwen  worden gemaakt. De opgedane ervaring kan ook worden omgezet in het aanpassen van de manier van gebruiken, zodat het gebouw en zijn inrichting niet meteen hoeven te worden aangepast als er in het gebruik iets wijzigt. Elk onderdeel heeft zijn eigen levenscyclus. Vroeger gingen concepten langer mee dan gebouwen. Zo zijn er de afgelopen 80 jaar achtereenvolgens meerdere kantoorgebouwen gemaakt en gebruikt op basis van het concept “kantoorgebouw”. Tegenwoordig veranderen de concepten sneller dan de  gebouwen, waardoor gebouwen sneller verouderd raken. Ook de levensduur van het gebruik is korter geworden dan die van het gebouw. Het gebruik is daarmee niet meer vanzelfsprekend leidend bij het ontwikkelen van gebouwen.

De eerste stap naar meer duurzaamheid kan worden gezet door de juiste onderlinge afstemming van deze levenscycli, zodat veel onnodig bouwen en slopen wordt voorkomen.

Groen Denken

Het bewustzijn dat we niet kunnen doorgaan op de huidige weg dringt tot steeds grotere groepen in de maatschappij door. Vanaf het moment dat de aarde voor het eerst werd gefotografeerd vanuit de ruimte is het beeld van de aarde veranderd. Wat eerst een oneindig grote wereld had geleken, werd teruggebracht tot een kwetsbare groene bol in een eindeloos heelal. Er werd voor het eerst gesproken over “ruimteschip aarde”. In 1972 verscheen het rapport van de club van Rome[i]. Aan de hand van een rekenmodellen werd voor het eerst met behulp van de computer aangetoond, dat de bronnen op aarde eindig zijn. In 1998 publiceerde John Elkington[ii] voor het eerst over de “Triple Bottom Line”. Naast de gebruikelijke “Bottom Line” van winst (Profit) pleitte hij voor een gelijkwaardige plaats voor de effecten op het welzijn van de mens (People) en de effecten voor de Ecosystemen van de aarde (Planet). Jarenlang was de milieubeweging gekoppeld aan linkse politiek en aan actievoeren en het bedrijfsleven reageerde defensief op de wetgeving die het milieu moest beschermen. Maar de in 2006 verschenen film “The inconvenient Truth” van Al Gore[iii] bracht daarin verandering. Grote bedrijven begonnen samen te werken met de uit de milieubeweging voortgekomen NGO’s (Non Governemental Organizations). Niet omdat ze opeens links geworden zijn, maar omdat continuïteit iedereen aangaat.

De huidige economie van “nieuw produceren” en “weggooien” blijkt eindig te zijn. Nieuwe producten kosten grondstoffen en energie (en dat veroorzaakt CO2-uitstoot), het afval komt in het milieu terecht en de grondstoffen gaan verloren. Maar er is een oplossing. In 2002 publiceerden de chemicus Michael Braungart en de architect William McDonough het boek Cradle to crade[iv], waarin zij een andere  richting aangegeven. In plaats van het huidige milieudenken, wat bestaat uit opvoeren van de efficiency om meer te doen met minder en zo de schade te beperken, stellen zij voor om het productiemodel revolutionair te veranderen.  Meer produceren, meer consumeren, maar dan anders. Het ontwerp van de nieuwe producten moet verder gaan dan het product en de marketing  alleen. Alles, van de winning van de grondstoffen, de productiewijze, de distributiewijze, het gebruik en het teruggeven van de gebruikte materialen aan de technische en biologische kringlopen moet vanuit één gedachte worden ontworpen. Het gaat niet meer om een product maar om een systeem.

Groen Bouwen

Gebouwen hebben een grote invloed op de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken. Juist daarom is het belangrijk dat ze worden ontworpen als onderdeel van die systemen. Als gebouwen en groepen van gebouwen worden ontworpen als onderdeel van de ecosystemen, kunnen zij niet alleen minder schadelijk zijn voor het milieu, maar kunnen zij een positieve bijdrage aan het milieu leveren. Daarom wordt er wereldwijd inmiddels veel aandacht besteed aan groen bouwen. Tal van organisaties houden zich er mee bezig. Een belangrijke stap  is  de ontwikkeling van definities en meetmethoden om er voor te zorgen dat de bouw als bedrijfstak meer groen kan gaan opereren.  In Nederland is in 2008 De Dutch Green Building Council opgericht (DGBC). De DGBC is een onafhankelijke organisatie, die een duurzaamheidkeurmerk ontwikkelt voor Nederlandse gebouwen en gebieden. Een stichting, die volgens vooraf gestelde criteria certificaten verstrekt aan opdrachtgevers die de mate van duurzaamheid van hun gebouw of gebied hebben laten beoordelen. De DGBC toetst op basis van het Engelse BREEAM , dat daartoe wordt vertaald naar de Nederlandse situatie.

De impact van het gedrag van de gebruiker op het milieu komt met toetsing aan de hand van BREEAM slechts gedeeltelijk in beeld. Aan de locatie van het gebouw en de gevolgen daarvan voor de mobiliteitspatronen van de gebruiker wordt wel aandacht besteed, maar de  locatie  is maar voor een deel bepalend zijn voor het verkeer van en naar het gebouw.  Herkomst en bestemming van de gebruikers en de werkpatronen zijn minstens zo bepalend voor de keuze van het vervoermiddel en de hoeveelheid afgelegde kilometers. Wanneer de locatie bij voorbeeld goed per openbaar vervoer bereikbaar is wordt dat over het algemeen als groen gekwalificeerd, maar of er binnen de organisatie van de gebruiker wel een gunstige regeling is voor het gebruik van openbaar vervoer is daarmee nog niet gezegd. Een goed groen gebouw is dan ook geen object maar een groen systeem, waarvan de gebruiker deel uitmaakt.

Groen gebruiken

Groen gebruiken gaat over alles waarvan je niet het gebouw de schuld kunt geven. Bijvoorbeeld de hoeveelheid kilometers die er door de organisatie op jaarbasis gevlogen wordt. Of de hoeveelheid papier die er in het administratieve proces omgaat. Ook de hoeveelheid woon-werkverkeer, die wordt veroorzaakt doordat bijvoorbeeld tele- en thuiswerken niet wordt toegestaan. Negroponte schreef in 1995 in zijn boek “Being Digital[v]” dat de voorkeur gegeven moet worden aan het verplaatsen van bits boven het verplaatsen van atomen. Dat spaart energie en  geld, vergroot de flexibiliteit van systemen en komt tegemoet aan de behoefte aan snelle response.

De consequentie is dat er overal waar er met informatie gewerkt wordt een geheel nieuwe manier van werken aan het ontstaan is. Inmiddels bekend als Het Nieuwe Werken.

Het Nieuwe Werken

Het Nieuwe Werken stond tot ongeveer 2005 bekend als Kantoorinnovatie[vi]. De eerste werkplekinnovaties kwamen voort uit het bewustzijn, dat werkplekken steeds vaker onbenut bleven als gevolg van de verkorting van de werktijd en het opkomende parttime werken in de tachtiger jaren. Het wisselen van werkplekken werd een middel om werkplekken, dus ruimte en de aan de vierkante meters gerelateerde facilitaire kosten te besparen. Dankzij de ICT werd het steeds beter mogelijk om op elk tijdstip op elke plaats te kunnen (samen)werken.  Het gebruik van sociale software en de mogelijkheden van web 2.0 leidt tot een ander beeld van de realiteit. Het delen van informatie, het vertrouwen op informatie van anderen die je vertrouwt omdat ze tot jouw netwerk behoren, het ontvangen van informatie op basis van de voorkeuren die je hebt verstrekt,of die automatisch worden bepaald aan de hand van je zoekgedrag of de locatie van je mobieltje,  zijn allemaal ingrediënten die mede bepalen hoe je omgaat met de fysieke omgeving, bijvoorbeeld de keuze waar je op een bepaald moment gaat werken. Wanneer stuur je iemand een mailtje, wanneer chat je en wanneer stap je in je auto om iemand op te zoeken?  Wanneer verplaats je bits en wanneer atomen?

Long life – loose fit

In de meeste organisaties is het nog steeds de gewoonte, dat medewerkers worden gehuisvest. Dat doen ze niet zelf, dat doet de facility manager. Daartoe wordt de huidige manier van werken onderzocht, worden noodzakelijke werkrelaties geïnventariseerd en wordt er een “afbeelding” van de werkpatronen van de organisatie vastgelegd als blauwdruk voor de lay-out van het kantoor. Dit gaat uit van deskundigheid t.a.v. de werkprocessen bij de facility manager en van enige stabiliteit in de werkprocessen.

Figuur2. Functioneel huisvesten onder het motto: „Form Follows Function”

Maar vormen de werkprocessen nog wel een goede basis voor het ontwerpen van een duurzame werkomgeving? Informatieverwerkende  werkprocessen worden overal gedigitaliseerd en worden daarmee steeds minder afhankelijk van de ruimte en tijd. Als je de te verwerken informatie overal en altijd via het netwerk kunt bereiken, is de plaats waar je dat doet niet belangrijk meer. De collega’s waarmee je moet samenwerken kun je via datzelfde netwerk ook bereiken en samenwerken kan ook virtueel.

Bij het nieuwe werken wordt de dynamiek van de activiteiten opgevangen in het gedrag van de werkers zelf. De medewerker zoekt op elk moment de plek die het beste past bij de activiteiten en de behoeft aan contact met de collega’s en anderen.

Figuur3. Duurzaam huisvesten onder het motto: „Long Life, Loose Fit”

Voor de huisvesting betekent het einde van het functionalisme. Niet de functie van het te realiseren object (gebouw of product) is bepalend voor het ontwerp, maar het functioneren als deel van het grotere geheel (long life). Concreet betekent dit, dat de inrichting van een kantoorgebouw wordt gebaseerd op de mogelijkheden die het gebouw en de directe omgeving bieden. Het interieur zorgt ervoor dat de potentiële (gebruiks)kwaliteit van de plek en de structuur van het gebouw maximaal tot hun recht komen. Aan de stille kant van het gebouw worden rustige plekken gemaakt, direct bij de toegangen tot de vloeren worden ontmoetingsplekken gesitueerd en aan de kant van het gebouw waar veel daglicht binnenkomt worden plekken gemaakt die het binnenvallende licht maximaal benutten.  Zo worden de “natuurlijke” kwaliteiten gemaximaliseerd en ter keuze aangeboden aan de gebruiker. De dynamiek wordt verlegd van het aanpassen van gebouw en inrichting, naar het gedrag van mens en organisatie (loose fit). Op deze manier wordt de maximale prestatie van het gebouw opgezocht en wordt het meest effectief gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte, materialen en energie. Dit betekent de kleinst mogelijke footprint bij het gegeven gebouw.

Adhocisme

Adhocisme[vii] is het benutten van de mogelijkheden die een omgeving te bieden heeft en is kenmerkend voor het nieuwe werken. Werken wordt daarmee een actief en creatief proces van het zien en benutten van kansen en mogelijkheden in de fysieke omgeving.   Waar het functionalisme ervan uitgaat dat de omgeving gemaakt kan/moet worden op basis van zorgvuldig onderzoek naar de te vervullen functie, gaat het adhocisme ervan uit, dat de werkpatronen het gevolg zijn van de confrontatie van de menselijke creativiteit met een gegeven omgeving. De mens ziet mogelijkheden in die omgeving en maakt er gebruik van. Door uit te gaan van de mogelijkheden van de omgeving ligt het voor de hand, dat er ook respectvoller met de omgeving wordt omgegaan.

Mobiliteit

22% van de totale CO2-uitstoot per kantoorwerkplek, wordt veroorzaakt door mobiliteit. Een goede reden om kritisch te kijken naar de afwegingen die mensen maken ten aanzien van hun mobiliteit. Mensen verplaatsen zich om drie redenen: om op hun werk te komen, om met elkaar te communiceren en kennis te delen en om locaties  te bezoeken, bijvoorbeeld een architect die  het bouwwerk  bezoekt,  of een onderzoeker die het object van studie bezoekt. Afhankelijk van de reden en de afstand wordt het meest passende middel van vervoer gekozen. Die keuze wordt niet alleen gebaseerd op de CO2-uitstoot. Bereikbaarheid van de bestemming speelt ook een rol, dit maakt de auto nog altijd populair. Reistijd is ook een belangrijke factor. Dan is de auto soms minder aantrekkelijk. Het tijdverlies in files kan behoorlijk oplopen en in de auto kun je behalve telefoongesprekken, niet werken. In de trein kan dat wel, behalve op de overbezette trajecten in de spits.

Deze afwegingen gelden vooral voor reisbewegingen die niet te vermijden zijn. Maar niet reizen kan ook een keuze zijn. Als iedereen bijvoorbeeld een dag in de week thuis zou gaan werken, dan zou het woonwerkverkeer al met 20%  afnemen.

Bij het reizen om te communiceren is het zinvol om de vraag te stellen of het echt nodig is om elkaar fysiek te ontmoeten. Kan de noodzakelijke communicatie ook op andere wijze plaatsvinden? Bijvoorbeeld door een telefoongesprek? Een telefoongesprek kan een goed alternatief zijn, vooral als het in de agenda wordt gepland,zodat er de tijd en de rust is voor het gesprek. Als het gevoel van aanwezigheid belangrijk is, dan  kan er gebruikt gemaakt worden van teleconferencing of de meer geavanceerde techniek van  telepresense.

Bij het bezoeken van locaties ligt de afweging anders. Is het bezoek aan de locatie wel zo vaak nodig  of kan er door middel van het nemen van de juiste  foto’s worden voorkomen dat er onnodig vaak wordt gereisd. Is het ook mogelijk om het object van studie of andere activiteiten eenmalig te verplaatsen zodat het niet nodig is om telkens opnieuw de plek te bezoeken?

Het voorkomen van onnodige reizen scheelt niet alleen in CO2-uitstoot het bespaart ook tijd en geld.

Er zijn verschillende niveaus van mobiliteit waarvoor de afwegingen verschillend zullen zijn. Zo is de mobiliteit binnen het gebouw en binnen de campus, die lopend en met de fiets wordt gerealiseerd gunstig voor het flexibel houden de fit tussen de organisatie en zijn huisvesting. In veel gevallen is het goed om de mobiliteit op dit niveau te stimuleren. Het verhoogt de kans om ontmoetingen waarmee dwarsverbanden in de organisatie worden gelegd. Bovendien is het gezond om regelmatig te bewegen. Het stimuleert afwisseling van houding.

Verplaatsingen tussen locaties, binnen de stad kunnen ook een welkome afwisseling zijn in de dagelijkse werkomgeving, maar worden al vaker gezien als tijdverlies. Deze mobiliteit moet kritische bekeken worden en soms bewust worden beperkt. Reizen over grotere afstand moet in principe worden beperkt, tenzij het nodig is. Als er al gereisd moet worden over grote afstand is het goed om verloren reistijd te minimaliseren en CO2-uitstoot te compenseren.

Conclusies

Door groene maatregelen af te wegen binnen de context van het geheel van groen denken, groen bouwen en groen gebruiken wordt het duidelijk, dat het niet nodig is om te wachten tot een moment van nieuwbouw om alvast zinvolle maatregelen te kunnen treffen om als organisatie meer duurzaam te gaan werken.

Hierbij zou de  facility manager de volgende aanbevelingen kunnen volgen:

 

  • Help de organisatie plaats- en omgevingsbewust te werken, door de slag te maken van functioneel huisvesten naar duurzaam huisvesten. Onder het motto: “van het maken van de omgeving naar het maken van gebruik”.
  • Formuleer een inspirerend mobiliteitsbeleid en stel een goed vervoersplan op waarin meetbare doelen worden gesteld. De overheid eist dit inmiddels voor organisaties groter dan 50 personen en het levert punten op in de BREEAM-score
  • Zet in op volledige digitalisering van alle informatieverwerkende processen en bouw incentives in voor papierloos werken.

 

 

 

Noten


[i] Meadows et al., 1972, Utrecht, Antwerpen: Het Spectrum

[ii] Elkington, 1998, Cannibals with forks : the triple bottom line of 21st…

[iii] Gore and Participant Productions. Paramount Classics (Firm) Paramount Pictures Corporation., 2006, An inconvenient truth

[iv] McDonough and Braungart, 2002, Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things

[v] Negroponte, 1995, Being digital

[vi] Mooij, 2002, Kantoorinnovatie : efficiënt, effectief, flexibel en creatief werken in een duurzame omgeving

[vii] Jencks and Silver, 1973, Adhocism: The Case for Improvisation

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s